De Priesteressen van de Keutenberg

Aan de voet van de Keutenberg loopt een smal pad direct langs de rivier de Geul. Aan de zijkant van het pad liggen een aantal bronnen die uitstromen in de Geul. Om één van deze bronnen is een muurtje gemetseld. Hier putte de bevolking uit de omringende gehuchten tot voorkort hun verse drinkwater. Ze noemen deze plek de Gronselenput.

De bodem van de put

‘Gronselenput’ is een eigenaardige naam. Grons blijkt een heel oud woord te zijn. ‘Grons’ betekent drassig. Dat kun je wel zeggen van die plek, want overal waar het water uit de hellingbodem opwelt is de bodem zompig. ‘Onder de grons’ betekent ondergronds. Grond is de aardkorst en tevens de bodem onder water. In de Gronselenput vinden we een drassige ondergrondse bodem.

Iedereen die van sprookjes houdt weet dat je via water in een magische wereld terecht komt, vooral als je daar terecht komt via een put…

Als ik verder spit, stuit ik op een legende die verbonden is met de put waarin een jonge vrouw voorkomt die Gronsela heet: met andere woorden, haar naam betekent Aardvrouwe. De legende vertelt ons dat Gronsela de naam van één van twee priesteressen die op de Keutenberg woonden. Mijn interesse is gewekt. Ik wilde weten wat ik hier nog meer over kon vinden. Ik neem je mee op mijn speurtocht terug in de tijd, waarin je in hutten woont, leeft van de jacht, de veeteelt en de akkerbouw:

Omstreeks 50 na Chr. is het Geuldal bewoont door een Keltische stam die zich de Eburonen noemt. Ze wonen in eenvoudige dorpen, in hutten gemaakt van houten palen en rieten daken. Ook bovenop de Keutenberg is zo’n dorp. In het dorp staat één hut die veel groter is dan de anderen. Daar wonen twee priesteressen: Holda en Gronsela, ze zijn moeder en dochter.

De twee priesteressen

De moeder heet Holda. Holda staat bekend als een groot zieneres. Ze wordt veel geraadpleegd, vanuit de wijde omgeving komen mensen naar haar toe voor advies, voor heling en voor haar magische krachten. Maar net als Gronsela is ook Holda niet zo maar een naam, we kennen haar uit één van de sprookjes van Grimm: Vrouw Holle. Holda is een Godin die zowel in de Hemel als in de Onderwereld regeert. Ze wordt ook wel de Witte Vrouwe genoemd. Ze kan verschijnen als wolkengodin en als nevelgodin. Ze verschijnt ze vaak in bosrijke gebieden. Holda is tevens een brongodin. Ook in het sprookje van Grimm kennen we haar als de hoedster van een magische put.

Als Hemelgodin bereidt Holda een Hemelwagen die voortgetrokken wordt door wilde dieren. Als ze met haar sleutelbos rammelt dondert het, als ze haar vlas spint bliksemt het, als ze haar beddengoed uitklopt sneeuwt het.

Holda is koningin der Elfen. In sommige landen heten de elfen dan ook het Huldavolk. De namen van Gronsela en Holda maken ons duidelijk dat deze legende niet alleen historisch is, maar ook een magische dimensie heeft.

Wat is er nog meer te ontdekken over die tweede priesteres, dochter Gronsela? We hebben al gezien dat haar naam verwijst naar de aarde, maar in dit geval verwijst ze specifiek naar de bodem van de put. De legende vertelt ons dat Gronsela een Veleda is. Een Veleda wordt ook wel een Waleda of een Völva genoemd; het is de naam voor een specifieke priesterlijke functie binnen de Keltische en Germaanse cultuur. Een Veleda is een vrouwelijke sjamaan. Veleda’s zingen toverspreuken in trance, ze spreken bezweringen uitspreekt en voorspellen het lot van de aanwezigen. Een Veleda kan zowel het verleden als de toekomst verklaren. Een Veleda beheerst een groot aantal magische vaardigheden, waaronder minimaal Seiðr, Spá en Galdr.

Magische Technieken

Seiðr is de verzamelnaam term voor een breed scala aan magische vaardigheden die in de cultuur van Kelten en Germanen beoefend worden. De Spá-kunst is het voorspellen van toekomstige gebeurtenissen en de mogelijke afloop van bepaalde beslissingen en Galdr zijn bezwerende tovergezangen, die gepaard gaan met magische rituelen.

De Wilde Jacht

De legende van de Gronselenput begint op het moment dat de oogst is binnen gehaald, wanneer het koren gedorst wordt om meel en brood van te maken. Dit is tevens het begin van het jachtseizoen. Met het aanbreken van het jachtseizoen begint ook het magische seizoen van de Wilde Jacht, het begin van een zeer turbulente tijd, zowel op aarde als in de Anderewereld. En de Wilde Jacht wordt aangevoerd door … Holda!

Het Tempelwerk van de Priesteressen

De legende vertelt ons dat Holda elke ochtend voor zonsopgang de Keutenberg afdaalt naar de Geul, om op het moment van de zonsopgang plechtige rituele handelingen te verrichten. Zij draagt dan een gewaad wit linnen. Haar roodblonde haren zijn gevlochten en in haar haren draagt ze een gouden haarband ter ere van de dienst die ze gaat leiden voor de Zonnegod. Haar dochter Gronsela volgt haar, ze lijkt sprekend op Holda. Beiden stralen ze schoonheid, gratie uit. Hun verschijning roept gevoelens van ontzag uit.

Via een steile weg lopen ze naar beneden, naar de Gronselenput. Daar – bovenop de Gronselenput – staat een tempel van de zonnegod Grannus. De tempel heeft een rieten dak, dat gedragen wordt door vier palen. De palen zijn met wollen banden omwikkeld. Het afdak overdekt het uitstromende water. Het bronwater wordt door een houten koker geleid en spuit op als fontein. Dan valt het neer in een ruw stenen bekken.

Boven de bron, op een voetstuk van gepolijst hard zandsteen, staat een gebeeldhouwde afbeelding van Grannus, met een stralenkrans om zijn hoofd.

Elke ochtend voor zonsopgang verzamelt zich een menigte rondom de tempel. De Eburonen bezoeken de tempel om bescherming en heling te krijgen en ze te drinken het helende water van deze heilige bron.

Als Holda en Gronsela aankomen bij de tempel is het nog donker. Ze beginnen ze de voorbereidingen voor de riten van Grannus. Ze schikken maretakken rond het godenbeeld.

Tijdens het opkomen van de zon wijden Holda en Gronsela het water. Daarna beginnen ze met het zegenen van de mensen. Maar deze ochtend, op de dag dat de Wilde Jacht begint zijn Holda en Gronsela onrustig. Ze voelen dat er iets staat te gebeuren.

Het Romeinse Legioen

Als ze bovenaan de Keutenberg staan horen ze geluiden uit het dal komen die ze niet kennen. Ze horen het hinniken van paarden en het kletteren van metaal. Voorzichtig lopen ze naar beneden om polshoogte te nemen. Ze zien tot hun ontzetting hoe vlakbij de tempel een groot Romeins kamp wordt opgebouwd!

De priesteressen kijken ontzet toe hoe mannen in blinkende harnassen hun tenten overeind zetten. Ze constateren dat de mannen bewapend zijn met lange speren en zwaarden. Het is een legioen Romeinse krijgers die hun winterkwartier opbouwen! De Romeinen zijn zich van geen kwaad bewust. Ze verkeren in de veronderstelling dat de Eburonen bondgenoten zijn want ze zijn in vriendschap ontvangen door de Eburonen koning Ambiorix.

Twee mannen maken zich los uit het gewoel om te paard de omgeving te verkennen. Ze ontdekken het sobere gebouw van de tempel rijden er naartoe. Ze zien de priesteressen. Een van beide mannen is bijzonder gecharmeerd van de vrouwen. Hij springt van zijn paard en loopt te voet naar de tempel om ze te begroeten. Daar stelt hij zich voor; het is de legeraanvoerder Cotta, zijn kameraad heet Sabinus. Cotta vertelt hen dat hij met eervolle bedoelingen komt. En om dat te onderstrepen offert hij een gouden munt in het offerblok.

Holda is wantrouwend, maar Gronsela voelt zich aangetrokken tot de krijgsman. Elke ochtend komt Cotta te paard naar de tempel om de priesteressen te bezoeken. Hij is uiterst respectvol want beschouwt ze als net zo heilig als de Vestaalse Maagden uit Rome.

Maar op een zekere dag komt Cotta niet opdagen. Het Romeinse kamp is aangevallen door een groep Eburonen. De Romeinse officieren zijn uitgenodigd in het hoofdkwartier van Ambiorix, boven op de Valkenberg, de plek waar nu de kasteelruïne staat. De stenen burcht draagt de naam Volcaebriga. Het is een laag en zwaar gebouw, omringd door stevige palissaden. Hij ligt helemaal verborgen in ondoordringbaar woud.

In de burcht wordt stevig onderhandelt: Ambiorix maakt excuses voor de aanval. Hij legt de legeraanvoerders uit dat hij mee deed aan de aanval, vanwege de verdragen die hij heeft met de omringende vorsten. Hij vertelt hen dat er een leger Germaanse huursoldaten onderweg is om hen aan te vallen. Hij raadt de Romeinen aan de troepen te verplaatsen. Hij garandeert de hen een vreedzame aftocht. Ambiorix stelt hen voor om het kamp te verplaatsen naar een gunstiger legerplaats. De Romeinen zijn hierover ernstig verdeeld. Wat doet je met goede raad gegeven door iemand die eigenlijk een vijand is? Sabinus gelooft Ambiorix, maar Cotta twijfelt. Uiteindelijk besluiten ze Romeinen op te breken. Ze brengen de nacht wakend door, terwijl ze inpakken.

De Walkure

Cotta ligt met volle bewapening op bed, in afwachting van de aftocht. Midden in de nacht wordt hij gewekt door een van de wachters. Er is een jonge man gevangen genomen die zegt Cotta te willen spreken.

Wie is die jonge man en hoe is hij erin geslaagd in het kamp door te dringen? Hiervoor moeten we terug naar de ware aard van Holda, de Elfenkoningin. Holda is in staat voor haar doelen verborgen nachtelijke geesten in te zetten. Haar Veleda’s kunnen van gedaante veranderen en ongezien reizen. Veleda’s zijn in staat om van gedaante te wisselen en ’s nachts in de geest op pad te gaan. Ze kunnen elke gesloten deur passeren. Ze kunnen vliegen tussen de wolken op de herfstwinden van de Wilde Jacht. Ze kunnen nachtelijke feesten bezoeken, of op slagvelden verschijnen. Een Veleda die van gedaante verwisselt en verschijnt vóór of tijdens een veldslag, wordt een Walkure genoemd, een slagveldgeest.

Als de jongen voor Cotta wordt gebracht verandert hij: wanneer hij zijn mantel uit doet, verandert hij in een jonge vrouw; het is Gronsela. De jonge priesteres van de Grannus Tempel waarschuwt Cotta voor verraad. Het kamp zal overvallen worden zodra het gaat verplaatsen!

Gronsela vertelt Cotta dat op de Volcaebriga alles wordt voorbereid om het Romeinse leger aan te vallen, zodra het legioen gaat trekken.

Eens buiten het kamp, zijt gij overgeleverd aan Ambiorix, wiens mond zoet spreekt, doch wiens hart zwart is als de hut van Loki’, waarschuwt Gronsela.

Cotta staat onmiddellijk op, handenwrijvend, handenwringend, handen in het haar, handen op de rug, ijsberend, verscheurd loopt hij heen en weer: Is deze boodschap oprecht, of is Gronsela een werktuig in boze handen? Hoe weeg je het woord van een priesteres tegen het woord van een koning? Zal hij luisteren naar de liefde, naar het heilige? Of luistert hij naar de macht?

Maar de krijgsraad heeft al besloten en Cotta kan niet op zijn woord terug komen. Hij zegt tegen Gronsela dat hij vertrouwt op het woord van Ambiorix. Hij heeft met Ambiorix onderhandelt en deze heeft hem vrede heeft belooft en een vrije aftocht. Met een liefdevol gebaar speldt Cotta een gouden speld op Gronsela ’s mantel. Dan verandert Gronsela weer in een knaap en vertrekt. De Veleda wordt buiten het kamp geleid en verdwijnt als een nevel in de nacht.

De volgende ochtend met zonsopgang trekken de Romeinen verder. Boven op de Keutenberg slaan de twee priesteressen dit tafereel gade. Holda hult zichzelf in nevelen en zweeft door de bossen naar de Volcaebriga: ze bezoekt Ambiorix en licht hem in over het vertrek van de Romeinen.

Ambiorix vermoedt dat de Romeinen door het diepe Gerendal in de richting van de Maas zullen trekken. Hij besluit om et zijn legers een hinderlaag te maken. Hij stationeert zijn krijgers op de top van de beide hellingen.

Nauwelijks zijn de Romeinse troepen in beweging, of vanaf de heuvels rondom het kamp daalt een regen van pijlen op hen neer. De Eburonen storten zich als woeste krijgers op de overgebleven Romeinen, onder aanvoering van Ambiorix. Het is een woeste veldslag; er vallen duizenden doden aan beide zijden. De pijlenregen is zo dik dat de zon erdoor wordt verduistert. De Romeinen vallen massaal en sterven bij bosjes. Ook Cotta wordt getroffen. Hij sterft door een slingersteen.

Plotseling verschijnt Holda bovenop de berg, in haar hoedanigheid als priesteres. Ze is gekleed in haar rituele gewaad, ze draagt de gouden band in haar roodblonde haar. Haar stem is zo krachtig, ze galmt door het hele dal! Met uitgestrekte armen, handpalmen naar voren geheven,  zingt ze een magische Galdr voor de Eburonen:

‘Heil Ambiorix, vorst der Eburonen. De machtige Grannus schenkt u de overwinning. Heil aan de koning, heil!’

Hierop volgt een enorme donderklap. Er stijgt een oorverscheurend krijgsgehuil uit het leger van de Eburonen op. Ze storten zich op de overgebleven Romeinen. De Romeinen sterven zo massaal dat het rode bloed in beken omlaag vloeit langs de hellingen. Hierop besluit Sabinus om zich terug te trekken.

De veldslag is gewonnen maar er is ook veel verloren. Als de avond valt schijnt de maan over het slagveld. Een jonge vrouw zoekt tussen de lijken naar de rode mantel van een veldheer. Als ze hem uiteindelijk vindt weet ze zeker dat Cotta gevallen is.

Als de krijgsbuit wordt verdeeld, vraagt Gronsela om het lijk en de wapens van Cotta. Bovenop de Keutenberg delft zij een graf, onder de hoge eik. Daar begraaft ze Cotta samen met zijn wapens. Door middel van haar krachtige magie wijdt ze de heuvel aan Cotta, ze noemt hem de Cottaberg. Deze naam werd later verbasterd tot Keutenberg. Het dal waar de veldslag plaats vond werd genoemd naar de Geren – de pijlen – die werden afgeschoten; het heet vanaf nu het Gerendal. De weg die Gronsela elke dag aflegt vanaf Keutenberg naar de put wordt de Gronzeladelle genoemd.

De Eburonen moesten zwaar boeten voor hun overwinning. Na de zware nederlaag van de Romeinen zendt Caesar een nieuw legioen naar het gebied van de Eburonen. Dit legioen vermoordt iedereen. Een handjevol Eburonen weet te ontvluchten onder wie Ambiorix. De ontvolkte woongebieden worden aan gehoorzame Germanenstammen gegeven.

Genii Locus

Maar hiermee is het verhaal niet afgelopen, want elke keer als de stormwind huilt, als het leger van de Noordenwinden losbreekt en de Wilde Jacht door het hemelzwerk raast, dan hoort men op de Keutenberg en in het Gerendal nog steeds het gegier van de pijlen en gekrijs van de slag. Dan verschijnt, in witte nevelen gehuld, een jonge Veleda op de Keutenberg, en knielt in eenzaamheid neer bij het graf van haar Romeinse soldaat…

De Magie van Holset

De top van de kerkheuvel van Holset is een magische krachtplek waar nog tot op de dag van vandaag genezingen worden gerapporteerd. Deze plek werd al als heilig beschouwd in de antieke oudheid, tegenwoordig is zij gewijd aan Lambertus en Genoveva.

De Eburonen nederzetting in het Hulstbos

De naam Holset komt van het oude woord Hullisetum wat hulstbos betekent. De hulst was de heilige boom van de Eburonen. Zo’n 2000 jaar geleden stond er op deze plek een tempel van de Eburonen. De Eburonen waren een Keltische stam die tussen de Ardennen en de Eiffel woonden, tussen de Maas en de Rijn.

Je weet meer over de Eburonen als je denkt. Iedereen die zijn Asterix en Obelix kent weet over dat volk dat zich verzette tegen de Romeinen. De Eburonen trokken ten strijde tegen Caesar. Uit wraak vernietigde deze hun tempel op de top van de heuvel van Holset. De tempel was gewijd was aan de god Bel. Bel is de Keltische god Belenos. Belenos betekent de ‘mooie stralende’, hij is een Zonnegod. Bel heeft ook een vrouw, zij heet Belisama. Beide goden zijn verbonden met heling en gezondheid.

Belenos en Belisama

De stam van het woord Belenos betekent ‘bron’. Belenos en Belisama zijn dan ook verbonden met genezende bronnen. Volkeren en hun goden hebben altijd een rits associaties waaraan je ze kunt herkennen. Zo was de hulstboom een heilige boom voor de Eburonen.

De Tempel van Bel

De vraag is nu: Waar is die Eburonen tempel gebleven, en waar zijn Bel’s genezende bronnen? De meest voor de hand liggende plek is aan de achterkant van de kerk. Achter een ijzeren hek bevindt zich een ‘Lourdesgrot’.

De grot is nagebouwd tegen een stenen muur die de ‘Heiligenwand’ heet. Achter de stenen muur zie je duidelijk de restanten van oudere gebouwen en trappen die naar de top van de heuvel leiden. Sommige internet bronnen zeggen dat een vroegere geestelijke heeft tevergeefs geprobeerd om de ruïne van de tempel in te bouwen in de kerk.

De genezende bron

Als je vanaf de Heiligenwand naar beneden loopt zie je aan de overkant van de weg stromend water uitkomen in een stenen bak. Er achter is een houten schutting met een deur erin. Hier kom je bij een paddenpoel waarin zich de oorspronkelijke bron van Bel bevindt. De padden die hier wonen heten de Vroedmeesterpadden. Zij gebruiken de bron als broedplaats. Op warme zomeravonden zingen deze padden. Hun gezang klinkt als het klingelen van zachte klokjes. Daarom worden ze in het Limburgs ook wel het ‘Klökske’ genoemd.

De Bron van Bel wordt tegenwoordig de Lambertusbron genoemd naar de heilige Lambertus.  Hoe komt de Bron van Bel aan de naam Lambertusbron?

De Draak en de kerstening van Paganistische heiligdommen

Volgens de legenden werd Holset in 692 werd Holset bezocht door bisschop Lambertus  Lambertus kwam om het Eburonen heiligdom te zegenen zodat het bruikbaar werd voor de katholieke kerk:

‘Hij zegende de giftige bron die vergiftigd zou zijn door de god Bel toen de dorpsbewoners tot het christendom bekeerden. Met het zegenen van de bron kwam er een helse draak uit die Lambertus verdreef. Sindsdien zou de bron een wonderbron zijn gewijd aan Lambertus’.

Is er een relatie van de Eburonen met een draak? De oplossing is mogelijk te vinden op de bewaard gebleven gouden munten. Op de voorkant van de munt staat de Triskel afgebeeld, op de andere kant een gestileerde afbeelding van het sterrenbeeld Draco.

Genoveva

Ondanks de verwoede pogingen van Lambertus om de draak te verdrijven blijven er paganistische praktijken en magische krachten rondom de tempel aanwezig. Om de plek te claimen werden in de loop van de tijd diverse pogingen gedaan door de katholieke kerk om de invloed van de god Bel  teniet te doen. Zo liet pastoor Slenter een retabel maken van de zegening van de kerk door Lambertus en in 1887 werd er zelfs nog een heilige aan de kerk toegevoegd; de heilige Genoveva.

Genezende Magie

Genoveva is een wonder-heilige die vrouwenzaken behartigd en bescherming biedt bij ziekten, droogren en oorlog. Zij zorgt ervoor dat er ook vandaag de dag nog wonderbaarlijke genezingen plaats vinden in Holset. In het jaar 1900 werden er zelfs 379 genezingen gerapporteerd! Ook tegenwoordig kun je op maandagmiddagen een speciale zegening gaan ontvangen tijdens de heilige mis, waarbij een reliek van Genoveva wordt gebruikt om de magie kracht bij te zetten. Je kunt in de kerk noveenkaarsen kopen en wijwater tappen.

Als alternatief kun je natuurlijk ook water tappen uit de Bron van Bel en Belisama. Zoals gezegd, de paganistische invloed is nooit verdwenen hier, de magie van Bel en Belisama is nog volop aanwezig in Holset.

Welkom bij Magisch Limburg

Limburg heeft een heel eigen cultuur. Er zijn gewoontes en culturele evenementen die een lange geschiedenis hebben. Een geschiedenis die soms zo lang terug gaat in de tijd dat er nog steeds duidelijke Paganistische invloeden zitten in de Limburgse cultuur. Er hebben hier Romeinen gezeten en zelf Eburonen, een Keltisch volk. Hiervan vind je nog de resten in oude gebouwen, namen, evenementen enz. Soms zijn de Limburgers zelf deze oorsprong vergeten. Tijd om het geheugen op te frissen.

Door middel van de uitstapjes die wij zelf maken in het prachtige Limburg willen we jullie op de hoogte brengen van onze avonturen, onze zoektocht naar zeer oude gebruiken, die nog stammen uit de tijd dat magie heel gewoon was.